Voorbeeld

De vrouw uit mijn voorland zit binnen aan tafel. Om haar heen hangt een geur van poederdons en vergeling. Ze neemt alle tijd. Uit het boek op tafel steken hier en daar kale boekenleggers. Ze slaat het open en begint zacht te mummelen. Zwijgend lezen is er niet meer bij. De woorden fladderen als opgeschrikte kanaries het raam uit. Een enkel veertje dwarrelt neer als armetierig bewijs dat het ergens over ging.
De vrouw uit mijn voorland stopt en reikt naar haar kop thee. Haar lippen plooien zich om het gouden randje. Bij elke slok sluit ze even haar ogen. Dan kijkt ze op en staart in een onpeilbaar verleden.
Ik registreer haar expeditie en alles in mij knijpt samen. Met alle macht houdt ik het vast. Wil niets verliezen. In mijn hoofd ga ik als een razende ordenen, schiften, ruimte bedingen.
Ook ik tuur en bots tegen de glazen vensters waarachter alles vernauwt. En zie dat de verkleuring van mijn eigen verleden al begonnen is. Wie is die vrouw?

Reacties gesloten.