Blinde vlek

Vogelaars zien iets wat mij niet lukt. Door hun kijker hebben ze openbaringen. Van onderuit hun tunnelvisie delen ze met grote zekerheid mee dat het om een kneu gaat, een mannetje, of dat de gekraagde roodstaart al weer terug is. En opgewonden kwetteren ze ‘Zie je dat, zie je dat? Daar zit ie, daar. Zie je dat?’
Hoewel ik zelf nooit kan vaststellen waar de vogel zit, houd ik van vogels. Mijn moeder is sinds haar overlijden namelijk vogel geworden. Ze is gevlogen, zeg maar.  En hoe ik ook tuur als ik een vogel hoor, ik staar in een blinde vlek.
Hoe kan het toch dat wat ik zo bewonder nooit werkelijk zie, alsof ik te traag ben voor zoveel vluchtigheid. Mijn verlangen wordt niet gehonoreerd. Bij gekwetter en gefluit loer ik hoopvol in wuivend gebladerte, maar nee, ik zie ze niet. Terwijl ik bijvoorbeeld altijd kikkers zie als niemand anders ze ziet. Dat is op z’n minst eigenaardig te noemen.
Ik ben doodsbang voor kikkers.
Stel dat kikkers ooit zouden vliegen. In dat geval kom ik ogen tekort en zal mijn moeder zwijgen. Want je ziet kennelijk alleen dat wat je wil zien.

Reacties gesloten.